Het voorwoord van Maureen Welscher.
Met mijn moeder uit eten gaan is altijd een beetje riskant. Op het moment zelf doet ze of ze het lekker vindt maar eenmaal thuis is het: laten we daar maar niet meer naartoe gaan want het eten was niks en ook nog mahal (duur), zijn ze wel goed wijs. Ooit biechtte een schrijver die geregeld lezingen gaf voor een Indische organisatie mij op, dat hij helemaal gek werd van die Indische mensen die altijd maar aan het zeuren waren over het eten dat de catering had gemaakt. Te droog, te zout, te zoet. Nog nooit had hij gehoord dat iemand enthousiast riep: ‘Zo, dit was lekker zeg!’ Zijn verklaring was dat de herinnering aan een gerecht voor iedereen anders is en dat het nooit zo lekker is zoals je moeder of je oma het maakte.
Als je de ayam ketjap pedis, gemaakt volgens het recept van oma op je bordje schept, is dat cultureel erfgoed. Het verbindt en is onderdeel van jouw identiteit. Het zijn die specifieke kruiden die oma gebruikte die het gerecht uniek maken. En als iemand anders het net even anders maakt dan gaan Indo’s zeuren – achter je rug uiteraard want we blijven wel Indo’s die niemand rechtstreeks willen kwetsen. Indirect zegt een familiegerecht iets over waar jij vandaan komt en wat je met je meedraagt. Loek Keller verwoordt het mooi in zijn gedichten: de wadjan (pan) en de tjobek (vijzel) zijn in de Indo-keuken veel meer dan keukengerei – ze vormen ziel van de keuken, dragers van familiegeschiedenis, smaakherinneringen en culturele identiteit. ‘De tjobek wordt gebruikt om sambal en boemboes met de hand te wrijven. Die handeling verbindt generaties vrouwen (en mannen) die kookten zonder recepten, puur op gevoel.’
Monique Bolung gebruikt het thema erfgoed op je bord als metafoor. ‘Het lachen, de zelfspot, het levendige en het nieuwsgierige, dat kreeg ik op mijn bordje. Maar ook het ontoegankelijke. Het afstandelijke. Niet het achterste van je tong laten zien. Niet kunnen praten over verdriet of over pijn. De trots. De hooghartigheid. Dat kreeg ik ook allemaal op mijn bord.’Tamara van Witzenburg schrijft over de Molukse en Indische cultuur waar eten veel meer is dan voeding. Eten is liefde voor de ziel. Voeden is liefde geven. Het is zorgen, delen en verbinden. Maar eten kan ook een strijd worden. Als kleuter lustte ze geen rijst, terwijl de tafel liefdevol door tantes werd gevuld met schalen vol familiegerechten. ‘Een tante antwoordde: je lust ligt op zolder, samen met wil en moet. Een uitspraak die me altijd is bijgebleven. Waarschijnlijk had ook zij die boodschap met de paplepel ingegoten gekregen. Je hebt niets te willen of te moeten. Pas je aan, wees dankbaar en vrees de Heer. Een adagium dat in onze familie al generaties meeging, van ver vóór de overtocht naar Nederland.
’We wensen je veel (kook)plezier met deze INDAH*!
Warme groet,
Maureen Welscher, hoofdredacteur *