Aanvankelijk vijf, nu vier flamboyante weduwes uit Amsterdam-Zuid, geven in de succesvolle serie De Grannies van Amsterdam een inkijkje in hun leven. Ze laten zien dat humor het medicijn is tegen álles. Eén van hen is de Indische Mug Elias (1945), die leeft volgens het motto: zie altijd iets positiefs aan wat je overkomt. Een levenshouding waarmee ook haar moeder de Japanse interneringskampen wist te overleven.
Laten we beginnen met de meest prangende vraag: hoe kom je aan de naam Mug?
‘Mijn moeder kwam begin 1945 alsnog het jappenkamp in. Ze was zwanger van mij. Toen ik werd geboren, zeiden de vrouwen tegen mijn moeder: ‘God Fiene, het is wel heel klein wat je hebt gekregen.’ Mijn moeder antwoordde: ‘Nou ja, ik heb toch al malaria, dan noem ik haar maar Mug.’ Typische humor had mijn moeder. Gek genoeg ben ik nooit geplaagd met die naam. Ik vind het niet erg dat mensen ernaar vragen, dan leg ik ze het gewoon uit. De naam in mijn paspoort is trouwens Theresia Margaretha Elias, maar mijn hele leven lang ben ik Mug genoemd. Ik hou van mijn naam en draag die met plezier.’
Hoe kwam jouw moeder uiteindelijk toch in het kamp?
‘Mijn moeder was getrouwd met een Nederlandse man die Pieter Alexander Elias heette. Ze hadden een zoon en een dochter. Haar man werd meteen in 1942 opgepakt. Haar vader ging bij haar en haar twee kinderen inwonen maar een jaar later werden hij en haar zoon ook opgepakt. Mijn moeder bleef achter met haar dochter. Toen kreeg mijn moeder bericht dat het schip waarop haar man zat getorpedeerd was en dat er geen overlevenden waren. De tante van mijn moeder had een moeder die gelieerd was aan de kraton van Solo. Die tante was van kleins af aan bevriend met een Javaanse jongen van adel, Raden Kadarman Reksonotoprodjo. Ze hadden dezelfde gouvernante en kregen samen les. Die tante, die ook alleen was met een dochter, zei: ‘Ik ga naar hem toe, ik weet dat hij een bestuurlijke functie heeft, misschien kan hij ons helpen.’ Ze ging naar Solo en kwam terug met die schoolvriend. Kadarman vond een huis dat afgelegen was, zodat mijn tante en moeder met hun twee dochters daar betrekkelijk veilig zouden zijn. Een paar Javaanse mannen werden ingehuurd om ze te beschermen. Zelf kwam hij ook geregeld langs om te checken of alles goed ging. Je raadt het al, mijn moeder en hij werden verliefd. Vanaf midden 1943 tot begin 1945 hebben ze samengewoond in dat huis. Maar op een gegeven moment werden ze verraden. Er bleken wapens in hun tuin begraven te liggen en iemand had de Japanners getipt. Wie dat was is nooit duidelijk geworden. Zo kwam mijn moeder met mijn halfzus en mij in haar buik met haar tante en haar tienerdochter alsnog in het jappenkamp terecht. Mijn biologische vader kon ons niet meer helpen. Op 13 juli werd ik geboren. Mijn moeder was zo ondervoed dat ze geen melk aanmaakte. Een jonge Japanse soldaat had medelijden met ons. Drie weken lang stal hij melk en wat rijst voor ons. Tot ze erachter kwamen en hij werd opgepakt. Hij werd doodgeschoten en mijn moeder werd gedwongen om toe te kijken. Dat heb ik pas veel later van mijn halfzus gehoord. Op 22 augustus 1945 was de Japanse capitulatie, meteen daarop volgde de Bersiap. Die Indonesiërs wilden maar één ding: de kop eraf van alle witte en Indische mensen. Dus we hebben nog twee jaar in dat kamp vastgezeten (deze kampen werden republikeinse kampen genoemd en werden in de periode oktober 1945-mei 1947 door de Republik Indonesia gebruikt om Nederlanders en Indische Nederlanders gevangen te nemen/te houden met als argument ze te beschermen tegen radicale Indonesische revolutionairen, red). Het werd een ‘ploporkamp’ genoemd en volgens mijn moeder waren de omstandigheden in dat kamp net zo erg als toen de jappen het er nog voor het zeggen hadden. Mijn halfzus vertelde me dat mijn moeder de hele dag over het terrein rondliep op zoek naar muizen, slakken, hagedissen, rupsen. Ze had een oud conservenblikje en daar deed ze water in en dan kookte ze die beesten. Toen ik een jaar of twaalf was, had ik eens een vriendje dat bleef mee-eten. Mijn moeder zei: ‘Mug lust alles hoor, want die heeft ratten en muizen gegeten.’ Ik schaamde me dood. Maar goed, zo heeft ze ons wel door het kamp heen gesleept. Die moeders in dat kamp waren echte heldinnen, zulke sterke vrouwen. Maar mijn moeder sprak nooit over de oorlog. Ik vroeg haar er wel eens naar maar dan zei ze: ‘Dat hoef jij niet te weten. Je bent er goed doorgekomen, wees daar nou maar dankbaar voor.’’
Lees verder in de Indah* ‘ERFGOED OP JE BORD’ bestel ‘m hier.