Maria Olympia van Thiel
Voor haar project Een Blauwdruk van jou interviewt kunstenares Eva Margaretha mensen van de eerste generatie over hoe zij zich hun leven in voormalig Nederlands-Indië nu herinneren. Op basis van hun woorden schrijft zij deze persoonlijke en veranderlijke herinneringen op in de ik-vorm. Herinneringen zijn persoonlijk en subjectief; ze veranderen, verdiepen of verschuiven in de loop van de tijd en worden mede gevormd door latere ervaringen en inzichten.
Maria Olympia van Thiel (25 mei 1933) groeide op in Pladjoe op Sumatra, waar haar vader werkte bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij. Na de Japanse inval op 14 februari 1942, vluchtte het gezin, verbleef in verschillende interneringskampen op Java en werd door de oorlogen uiteengerukt.
Mijn ogen schieten van mammie naar de kast. Van de kast naar de hand om mijn arm weer terug naar de kast. Ik probeer niet naar de kast te kijken. Wanneer ik omhoogkijk zie ik de soldaat glimlachen naar mijn moeder. Zijn ene mondhoek net een beetje hoger dan de ander.
Ety greep mijn hand en trok me de trap op. Ze telt hardop de deuren en weet de weg. Naar mammie. Naar onze hotelkamer op de tweede verdieping. We zijn hier nog maar een paar dagen. De kamer is gevuld met meer mensen dan bezittingen.
En nu staat hij hier. De soldaat van beneden. Paardenhoeven op de trap. Mijn arm doet pijn. Ik beweeg niet. Misschien laat hij me dan los. Hij glimlacht weer. Misschien is hij toch aardig? Mijn ogen schieten weer naar de kast. Niet kijken! Hij zegt iets tegen me. Ik begrijp er niets van. Dan haalt hij een foto uit zijn binnenzak. Op de foto staat een meisje. Een meisje met een vouwlijn over haar mond. Hij wijst naar de foto en dan weer naar mij. Nog een keer naar de foto.
Mammie zit rechtop op het bed. Haar handen liggen in haar schoot. Alleen haar vingers bewegen steeds opnieuw over de zoom van haar rok. ‘Na-na-na.’ Ze schudt haar hoofd. ‘Nee, ik weet het niet.’ Wat wil hij toch? Mama schudt nu met haar hoofd en de soldaat stapt haar kant op. De soldaat kijkt de kamer rond en zet me opeens bij mijn mammie op schoot.
Opeens draait hij zich om. De laarzen verdwijnen door de deuropening. We wachten. We zijn stil. En pas wanneer de paarden niet meer te horen zijn, loopt mammie naar de kast. Heel langzaam gaat de deur open en pappie stapt naar buiten. Mammie slaat huilend haar armen om zijn nek. Pas veel later vertellen ze me dat ik zo op zijn dochter leek thuis in Japan. Dat hij me mee zou nemen als zij niet vertelde waar pappie was. Dat hij er zelfs geld voor wilde betalen.