Voor de Nederlands-Indische gemeenschap

JIM VAN OS: ‘De vragen die ik als kind had over het gedrag en de pijn van mijn ouders, maakten dat ik er iets aan wilde doen’

Eind augustus was hij de allerlaatste gast van VPRO Zomergasten, daarna stonden de kranten bol met lovende interviews en recensies van zijn nieuwe boek. Met INDAH* sprak hoogleraar en psychiater Jim van Os (1960) uitgebreid over zijn roots, kwetsbaarheid en Indische branie.

Wat geweldig om jou in dit nummer van INDAH* te hebben.

‘Toevallig zag ik jullie magazine laatst in de kiosk. Ik kende het nog niet. Daags daarna mailden jullie. Voor de shoot heb ik speciaal de batik-blouse die ik jaren geleden in Indonesië kocht aangetrokken. Ik voel mij zeer vereerd.’

Vertel over je roots: je hebt een Indische vader.

‘Van jongs af aan ben ik me bewust geweest van mijn Indisch-zijn, mijn vader was altijd ambivalent over Nederlanders en het Nederlander-zijn. Het half-wit zijn. In Indië groeide hij op in een multiculturele familie. Mijn Nederlandse grootvader was na zijn scheiding naar Indië vertrokken. Daar ontmoette hij mijn oma, die Indische, Chinese – mijn betovergrootvader was een Chinees uit Macau – en Joods-Portugese roots had. Ze trouwden. Die grootvader van mij was een enorme risktaker: als ondernemer is hij drie keer steenrijk geweest en drie keer failliet gegaan. Hij overleed toen mijn vader drie jaar oud was. Zonder haar witte man kreeg mijn oma te maken met het feit dat haar kinderen ineens in een andere etnische groep ingedeeld werden: die van de Indo’s. Op school wilden witte kinderen niet meer met mijn vader spelen en met Sinterklaas kreeg hij ineens geen cadeautje meer. Hij hoorde er niet meer bij.

Die Indische maatschappij was in feite een enorm racistische, gesegregeerde samenleving, ook al leek het vanbuiten alsof alles wel aardig samenging.

Met het wegvallen van de witte vader, verarmde het gezin. Om het hoofd boven water te houden begon mijn grootmoeder een pension in het grote huis in Linggadjati waar ze woonden. Fast forward: mijn vader was elf toen een colonne Japanse soldaten op motorfietsen hun idyllische bergdorp binnenreed en de boel overnam. Hij belandde in een jongenskamp, gescheiden van zijn moeder en twee oudere zussen. Toen hij daar betrapt werd op het handelen in Arrow-shirts (Arrow was in de jaren dertig en veertig een bekend internationaal kledingmerk voor herenoverhemden, red.) met kampbewakers, moest hij voor straf naar het mannenkamp. Daar ging het er heftiger aan toe. Mijn vader praatte niet graag over de verschrikkingen die hij in het kamp had meegemaakt. Als hij er al over sprak, dan altijd op een branie manier.’

 

 ‘Toen mijn vader op zijn vijftiende uit het kamp kwam, werd hij door de Nederlanders gerekruteerd om tegen de Indonesiërs te gaan vechten in het KNIL. Pas veel later realiseerde hij zich dat hij in feite een kind-soldaat was geweest. Boos eiste hij reparatie van de Nederlandse overheid. Daar heeft hij eindeloos over gecorrespondeerd, tot hij op een vriendelijke ambtenaar stuitte die begrip toonde en ter compensatie een KNIL-pensioen voor hem regelde. Aan mijn vader was goed te merken dat de oorlog diepe sporen had achtergelaten. Niet alleen het kamp, ook alles daarvoor.’

Lees verder in de Indah* ALL IN THE FAMILY bestel ‘m hier.