In Mijn kust verzamelt Adriaan van Dis alle verhalen over het Bergen aan Zee van zijn jeugd. De plek waar zijn uit de tropen verjaagde familie een nieuw leven begon.
Leugenland
Geen valser vriend dan de herinnering. Neem het Indië dat wij achter ons lieten. Mijn Indië… Het zou mij niet veel moeite kosten onze overtocht met de Klipfontein van Palembang naar Amsterdam voor de geest te halen. De klamme hut, de geur van kots in de hol klinkende gangen en de schrik in de ogen van mijn vader toen hij een buiging maakte voor de marechaussees die bij de sluizen van IJmuiden aan boord sprongen. Per ongeluk. Of uit gewoonte misschien, omdat in de drieënhalf jaar kamp die achter hem lag, het buigen in zijn rug was gaan zitten. Een overlevingshouding. Hij werd er nog om uitgelachen ook.
Al schrijvend zie ik hem zo weer staan. Nu. Bij helder weer. Bang. Bang. Bang. Mijn vader als bange man. Nog voel ik de wind aan boord, zie ik grijsgroene politiejassen opflapperen. Nog herinner ik me het wakker worden, hoe we elke morgen de lucht uit de patrijspoort proefden. Elke morgen een hap kouder. En daar kleedden we ons naar: van bloes naar trui, van trui naar jas en daarna de eerste sjaal, de tweede sjaal. Toegeknoopt naar het nieuwe land.Mooi verhaal?
Ik kende het zelf ook nog niet. Ontsnapte zomaar aan mijn vingers. En is het waar? Niet volgens de feiten. Ik droeg geen jas op de Klipfontein. Mijn moeder droeg míj. In haar buik. En toch is Indië voor mij een herinnering. Ik ken het uit de rijsttafelverhalen van thuis, mijn leerschool in liegen. Pas op mijn vijftigste heb ik het geboorteland van mijn vader en halfzusters voor het eerst bezocht. Zij waren Indisch. Mijn in Holland geboren moeder woonde lang in Indië. Ik bezit de foto’s die ze naar haar vader in Brabant stuurde. Het zwart-op-wit bewijs dat ze er echt heeft geleefd. Maar maakt haar dat Indisch? En mij? Het roze biggetje van de familie, zoon van een vader met een kleur die hij ontkende.
Ik ben in een Indische omgeving opgegroeid. De smaak thuis was Indisch. De korst aangebakken rijst met suiker, de verse tempé dobberend in een gouden blik, het apenhaar, de avocado met zoete koffiestroop. Avocado? Begin jaren vijftig in Nederland? Ja, van meneer Schoen uit Den Haag, importeur van exotische waren. Meneer Schoen droeg een korte bruine stofjas en rook naar verre reizen. Afstanden golden niet voor hem, al pratend en prijzend sprong hij van eiland naar eiland, met een mand in zijn hand – en dat in onze gang. Aan seizoenen deed hij ook al niet: meneer Schoen plukte abrikozen en doerians als het buiten vroor. Hij bracht de tropen in huis. En de smaak van apokat. Pap of keihard deed er niet toe: de naam van de vrucht droeg herinnering.
Ons huis was Indisch. Tjebok-fles in de wc, sapoe lidi in de slaapkamer, obatkastje in de badkamer, wadjang in de keuken, antimakassar op de nek van de luie stoelen, rotanmeubels, kris aan de muur, de Balinese buste, wajangpoppen op de vensterbank. En de poef. Veel Indische mensen hadden een poef. Net als mijn vader bij een van de parlevinkers in Aden of Suez gekocht. Een souvenir van de overtocht. Maar maakt dat de poef Indisch?
De kinderen met wie ik speelde waren Indisch. Hoeveel woonden er niet in Bergen aan Zee? Op een feestelijke bijeenkomst waar we het honderdjarig bestaan van ons dorp vierden, liet een oud-schoolgenoot mij een foto van onze kleuterklas zien. Zoveel bruine gezichtjes, bijna de halve klas. Nooit beseft. Als je vroeger door het dorp fietste, kon je zo zien waar die kinderen woonden: in de huizen waar ’s winters een deken voor het tochtige raam hing en waar ’s zomers juthout in de tuin lag opgetast. De huizen waar de vensters niet blonken, waar de tuin verwilderd was, waar altijd mensen in de woonkamer zaten. De gezellige, rommelige huizen.